Voorzittershamer liggend op een smartphone
© Andrey_Popov/Shutterstock.com
Geen AI: al onze artikelen zijn geschreven door echte mensen, zonder gebruik van AI
Inhoudsopgave

Nederlandse rechtbanken mogen berichten die zijn verkregen via gehackte cryptotelefoons gebruiken als geldig bewijsmateriaal in strafzaken. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is van toepassing tussen Nederland en Frankrijk. Dat houdt in dat men ervan uit mag gaan dat buitenlandse opsporingsdiensten de berichten op een rechtmatige manier hebben verkregen.

Dat oordeelt de Hoge Raad vandaag. De hoogste rechterlijke instantie van ons land beantwoordde diverse prejudiciële vragen van de rechtbank in Leeuwarden en Zwolle in zaken over EncroChat en Sky ECC.

Nederlandse politie kraakt in enkele jaren tijd meerdere cryptocommunicatiediensten

EncroChat en Sky ECC boden diensten aan om cryptografisch versleutelde berichten mee over en weer te sturen. Dat betekent dat alleen de ontvanger en de afzender de berichten kunnen lezen. Het waren doorgaans criminelen die gebruikmaakten van deze dienstverlening om anoniem met elkaar te communiceren en misdrijven te beramen. Tot frustratie van opsporingsdiensten die niet in staat waren om stiekem mee te luisteren.

In juli 2020 slaagden de Nederlandse en Franse politie er gezamenlijk in om EncroChat te kraken. Ze wisten meer dan 20 miljoen vertrouwelijke berichten buit te maken voordat deze werden versleuteld. Agenten wisten precies wat verdachten van plan waren. “Het was alsof we bij de criminelen aan de vergadertafel zaten”, zo vertelde Jannine van den Berg, politiechef van de Landelijke Eenheid, destijds.  

Naast EncroChat wist de politie de afgelopen jaren meerdere cryptocommunicatiediensten te kraken, waaronder Sky ECC, Ennetcom en Exclu. Daardoor konden agenten honderden verdachten arresteren, drugslaboratoria ontmantelen en beslagleggen op contant geld, drugs en vuurwapens.

Verdediging trekt rechtmatigheid cryptoberichten in twijfel

Het kraken van verschillende cryptodiensten heeft de afgelopen jaren tot verschillende rechtszaken geleid. De advocaten van verdachten probeerden de rechtszaken in de kiem te smoren door te betogen dat het bewijsmateriaal onrechtmatig was verkregen en een schending van de privacy van hun cliënt was. Onder meer de rechtbank van Limburg en de rechtbank van Amsterdam oordeelden dat de berichten van de cryptodiensten als rechtsgeldig bewijsmateriaal in de rechtszaal mochten worden gebruikt.

De rechtbank van Leeuwarden en Zwolle waren daar niet van overtuigd. Aanleiding daarvoor was het bezwaar van de verdediging: die stelde dat ze geen inzage had in de wijze waarop de gegevens waren verkregen. Dat kwam doordat Frankrijk de tools om de berichten te onderscheppen voordat ze versleuteld werden, als staatsgeheim heeft gerubriceerd. Het was dus nog maar de vraag of de gekraakte berichten in de rechtszaak als bewijsmateriaal beschouwd mochten worden.

Het Openbaar Ministerie beriep zich op het ‘interstatelijk vertrouwensbeginsel’. Dat standpunt stelt dat het rechtssysteem van het land waar verdachten worden vervolgd, vertrouwen moeten hebben in het rechtssysteem van een andere staat. Oftewel, nader onderzoek naar de rechtmatigheid van het verkregen bewijsmateriaal is dan overbodig.

Hoge Raad: ‘Interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing in Nederlandse rechtszaken’

De rechtbank van Leeuwarden en Zwolle hebben aan de Hoge Raad gevraagd of het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is in de strafzaken die ze momenteel behandelen. Daarnaast vroegen ze zich af hoe Nederland moet omgaan met de gegevensbestanden die door Frankrijk zijn opgestuurd.

De Hoge Raad oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is in de rechtszaken die momenteel behandeld worden door de rechtbank van Leeuwarden en Zwolle. “Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het onderzoek door de buitenlandse autoriteiten rechtmatig –dat wil zeggen: in overeenstemming met het buitenlandse recht– is verricht. Dit is alleen anders als in het buitenland definitief is komen vast te staan dat het daar verrichte onderzoek niet in overeenstemming met de geldende regels is verricht”, aldus de Hoge Raad in haar vonnis.

Dat betekent dat de rechter niet hoeft te oordelen over de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal. “De Nederlandse rechter is alleen verplicht nader in te gaan op de betrouwbaarheid van de resultaten als –al dan niet naar aanleiding van wat de verdediging heeft aangevoerd– concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan.”

Laat een reactie achter