De Autoriteit Persoonsgegevens heeft een boete van 50.000 euro opgelegd aan de politie. Tijdens de coronapandemie zette de Rotterdamse politie camera-auto’s in om te kijken of burgers zich aan de coronaregels van het kabinet hielden. Daarmee werd de privacy van inwoners en bezoekers onnodig geschonden.
Dat vertelt de toezichthouder in een persverklaring.
Politie gebruikt camera-auto’s om naleving coronamaatregelen te controleren
In april en mei 2020 besloot de politie van Rotterdam om twee auto’s met een 360-gradencamera door de stad te laten rijden. De camera’s zonden live-beelden uit naar een centraal punt. Daar werden deze bekeken door een camera-operator en een centralist. Beelden konden tevens worden doorgestuurd naar andere politielocaties. Agenten konden zo eenvoudig controleren of een terraseigenaar niet stiekem klanten bediende, of mensen wel voldoende afstand hielden, of dat er sprake was van groepsvorming.
Na vijf weken haalde de politie de camera-auto’s weer van de weg. De Autoriteit Persoonsgegevens stelde kritische vragen over de inzet van de wagens en waarborging van de privacy van burgers. Diverse leden van de gemeenteraad waren eveneens verbaasd dat ze niet hierover waren geïnformeerd. Toen de toezichthouder signalen ontving dat de camerawagens toch weer rondreden, stelde ze een onderzoek in.
‘Vrij over straat kunnen lopen’
In november 2021 concludeerde de privacywaakhond dat de inzet van camera-auto’s onrechtmatig was. De gemeente en politie hadden de privacyrisico’s vooraf onvoldoende in kaart gebracht. De beelden die de camera’s verzamelden werden bovendien te lang bewaard. Tot slot was het niet nodig om burgers te filmen: agenten konden eventuele overtredingen via de portofoon doorgeven aan collega’s.
“Je wilt in Nederland vrij over straat kunnen lopen. Zonder dat je hoeft te verwachten dat de overheid vanuit rondrijdende auto’s scherpe opnames van je maakt. En dat die naar een meldkamer gaan, zodat de overheid je kan identificeren en desgewenst tegen je kan optreden”, zo zegt AP-bestuurslid Katja Mur.
Privacyrisico’s waren vooraf niet in kaart gebracht
Ze zegt dat de gemeente Rotterdam en de politie geen Data Protection Impact Assessment (DPIA) hebben uitgevoerd. Een DPIA of gegevensbeschermingseffectbeoordeling is een onderzoek waarbij een onafhankelijke partij in kaart brengt hoe een bedrijf of organisatie omgaat met het verwerken van persoonsgegevens. Deze partij kijkt onder meer welke privacygevoelige data een instantie verzamelt, voor welke doeleinden ze deze gegevens nodig heeft, hoe ze deze informatie verwerkt en of het verwerken van deze gegevens opweegt tegen de inbreuk op privacy.
De Autoriteit Persoonsgegevens stelt dat een DPIA noodzakelijk was in dit geval, omdat de politie gebruikmaakte van nieuwe technologie. Tevens had de politie kunnen of moeten weten dat de inzet van camera-auto’s een hoog privacyrisico opleverde.
Politie overtreedt op meerdere punten de wet
Tevens verzamelde de politie persoonsgegevens van grote groepen mensen in de openbare ruimte zonder hen hier vooraf over te informeren. Daarmee overtrad de politie de Wet politiegegevens (Wpg), waarin de belangrijkste privacyregels voor de politie staan.
Op momenten dat er geen coronaregels werden overtreden, maakten de camerawagens eveneens filmopnamen. Mensen waren daarop herkenbaar in beeld. Dat gebeurde bovendien op aangewezen locaties of ‘hotspots’. Al met al werden er te veel beelden verzameld en opgeslagen die niet noodzakelijk waren voor de politie om hun werk te kunnen uitvoeren.
De camera-auto’s werden ingezet op grond van artikel 3 van de Politiewet. Daarin staat dat het de taak van de politie is om “met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven”. De Autoriteit Persoonsgegevens vraagt zich af of het is toegestaan om op basis van dit wetsartikel camera-auto’s voor langere tijd in te zetten.
Politie kan bezwaar aantekenen tegen boete
De politie erkent dat ze de Wpg op diverse punten heeft overtreden. Daarom legt de toezichthouder een boete van 50.000 euro op. De politie kan nog in beroep gaan tegen de boete van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Update (21 december 2022): de politie laat in een verklaring weten dat het overweegt om in beroep te gaan tegen de boete. “De politie krijgt de boete omdat zij volgens de AP voorafgaand aan de inzet een analyse van de privacy-risico’s had moeten maken. De politie had een andere inschatting gemaakt en op basis van een snelle, voorlopige risico-analyse geconcludeerd dat dit niet nodig was”, zo luidt de verklaring.
Verder schrijft de politie dat de Autoriteit Persoonsgegevens van mening is dat artikel 3 van de Politiewet alleen als grondslag kan dienen als de politie incidenteel en kortstondig gebruikmaakt van camera’s. De politie meent dat het wetsartikel ook als juridische basis kan dienen voor acties die een langere periode omvatten.
“De AP heeft laten weten het wenselijk te vinden nadere uitleg te geven over de reikwijdte en betekenis van artikel 3 van de Pw [Politiewet, red.] bij de inzet van technische surveillancemiddelen. De AP gaat dit nader uitwerken. De politie wordt hierbij graag actief betrokken”, zo eindigt de politie haar persverklaring.
